Begrippenlijst

Met dank aan:

klik hier om naar deze pagina te gaan!
http://www.discoverychannel.nl


Cellen
Cellen zijn afzonderlijke eenheden waaruit alle weefsels van het lichaam zijn opgebouwd.

Chromosomen
Chromosomen zijn structuren in de cel die de genetische informatie dragen in de vorm van DNA. Elk chromosoom bestaat uit ÚÚn lang DNA-molecuul en bevat ook prote´nen (eiwitten). De mens heeft 46 chromosomen in elke cel, behalve in de eicellen en zaadcellen, die slechts 23 chromosomen bevatten.

DNA
DNA (desoxyribonucle´nezuur) is de grote verzamelstructuur van genetische informatie in de cel. Een DNA-molecuul bestaat uit twee strengen die in de vorm van een dubbele helix verbonden zijn door zwakke basenparen van nucleotiden. Elke DNA-streng bestaat uit nucleotide-eenheden die elk ÚÚn van vier basen bevatten: adenine (A), guanine (G), cytosine (C) en thymine (T). De volgorde van de basen in het DNA vormt de code voor specifieke informatie over de genetische blauwdruk van het individu.

Gen
Genen zijn de fundamentele fysische en functionele eenheden van erfelijke informatie. Een gen is een geordende reeks van nucleotiden die zich in een bepaalde positie op een bepaald chromosoom bevindt en die de synthese regelt van een specifiek functioneel product, zoals een prote´ne of een RNA-molecuul. Om zijn functie in een cel te vervullen, wordt het codegedeelte van het gen overgebracht op boodschapper-RNA, waarna het in een prote´ne wordt vertaald. Sommige genen worden wel overgeschreven maar niet vertaald; zij vormen transfer-RNA en ribosomaal RNA. De combinatie van genen die in een cel wordt aangemeld bepaalt welke prote´nen worden geproduceerd, en dat bepaalt weer de functie van de cel, bijvoorbeeld als bouwsteen voor weefsels.

Genetica
Genetica is de wetenschappelijke studie van erfelijkheid, het doorgeven van bepaalde kenmerken van de ene generatie op de andere.

Genetisch testen
Het proces waarbij een test wordt uitgevoerd om de aan- of afwezigheid van, of een verandering in een bepaald gen of chromosoom vast te stellen.

Genoom
Het genoom is de term die wordt gebruikt om alle genen te beschrijven die in de chromosomen van een bepaald organisme zijn vastgelegd; de omvang wordt doorgaans aangegeven als het totale aantal basenparen. Het menselijk genoom bevat ongeveer 3 miljard basenparen.

Mutaties
Mutaties doen zich voor als er fouten worden gemaakt bij de duplicatie van de genen. Er ontbreekt bijvoorbeeld een base of hele stukken DNA worden omgedraaid, verwijderd of tussengevoegd. Veel van zulke mutaties hebben geen enkele invloed, maar als die zich voordoen in een DNA-reeks die een gen encodeert of reguleert, kunnen de eigenschappen van het geproduceerde eiwit veranderen. Een mutatie kan een afwijking veroorzaken of de erfelijke gevoeligheid voor een afwijking.

Nucleotide
Een nucleotide is een onderdeel van het DNA of het RNA dat uit een base bestaat (adenine, guanine, thymine of cytosine bij DNA; adenine, guanine, uracil of cytosine bij RNA), een fosfaatmolecuul en een suikermolecuul. De nucleotiden worden met hun suiker-fosfaatgroepen verbonden tot een DNA- of RNA-molecuul, en de volgorde ervan wordt beschreven aan de hand van de volgorde van de basen, b.v. AAAAGTTCGTCTAGGTC. De twee strengen van het DNA-molecuul worden in een dubbele helix samengehouden door zwakke bindingen tussen de basenparen: adenine en thymine, of guanine en cytosine.

Nucleus (celkern)
De nucleus of celkern is het centrum binnen in de cel waarin alle genetische informatie is opgeslagen.

Prote´ne, eiwit
Prote´nen of eiwitten zijn grote, complexe moleculen die zijn opgebouwd uit een of meer ketens of bouwstenen die aminozuren worden genoemd. Doorgaans treffen we twintig verschillende aminozuren aan in eiwitten. Binnen een gen geeft elke specifieke reeks van drie DNA-basen (dit worden codons genoemd) een opdracht aan de eiwitfabriekjes van de cel om bepaalde aminozuren toe te voegen. Zodoende is de genetische code een serie codons die bepaalt welke aminozuren vereist zijn om bepaalde eiwitten aan te maken. Elk eiwit heeft een unieke functie en is onmisbaar voor de bouw, functie en regulering van de cellen, weefsels en organen van het lichaam, b.v. hormonen, enzymen en antilichamen.

Ribonucle´nezuur (RNA)
RNA fungeert als boodschappermolecuul in de eiwitsynthese. De genetische code in het DNA wordt naar het RNA gekopieerd, dat de celkern kan verlaten om te worden gedecodeerd door de eiwitfabriekjes in het cytoplasma. Net als DNA bestaat RNA uit een reeks van nucleotide-eenheden, alleen verschilt de chemische samenstelling enigszins: de suiker is ribose in plaats van desoxyribose en in plaats van thymine heeft RNA uracil-basen die met adenine worden gecombineerd. RNA heeft geen dubbele-helixstructuur, maar is opgevouwen. Er zijn verschillende soorten RNA, waaronder boodschapper-RNA, transfer-RNA en ribosomaal RNA die elk verschillende functies uitvoeren.



Van:

klik hier om naar deze pagina te gaan!
http://www.kennislink.nl






Van DNA via RNA tot eiwit

1a. Dit is een leesbaar gen. Het is echter niet rechtstreeks vertaalbaar in een eiwit.
1b, c, d. Enkele regeleiwitten binden zich aan het regelelement van het gen.
1e. Geholpen door de regeleiwitten kan het enzym RNA-polymerase het DNA overschrijven in RNA.
2. Het RNA gaat van de kern naar het cytoplasma, waar het zich aan de ribosomen hecht.
3. Een dragermolecuul voert aminozuren aan, de bouwstenen van een eiwit.
4. Het ribosoom loopt het RNA af, waarbij nieuwe aminozuren aan de eiwitketen worden gehecht.


ę Copyright 2004 - 2010. All rights reserved.